Q&A over veel gestelde vragen over de NEN-EN-ISO 14688

Q1: Ben ik verplicht om volgens de NEN-EN-ISO 14688 grondbeschrijvingen uit te vragen?

A1: Sinds januari 2019 is de classificatie norm NEN 5104 komen te vervallen en is daarmee dus geen geldende norm meer. Daarvoor in de plaatst is er nu de nieuwe identificatie en classificatie norm NEN-EN-ISO 14688 die binnen het geotechnische werkveld toegepast dient te worden. Voor deze norm gelden strikte eisen met betrekking tot kwalificaties van de uitvoeder, daarnaast zorgt de norm voor een landelijke kwaliteitsslag. 

Q2: Wat is er allemaal veranderd en kunnen wij oude boorbeschrijvingen nog wel gebruiken?

A2: Over het geheel genomen zijn de veranderingen gering waarbij de kwaliteit van de beschrijving daarbij wel aanzienlijk verbeterd is. Maar er zijn wel een aantal grote veranderingen die het lastiger maken om de oude beschrijvingen om te zetten naar beschrijvingen volgens de nieuwe norm. Zo werd een grondsoort eerst grind genoemd indien er 30% of meer grind aanwezig was. Deze grens ligt nu bij 50%. Er zal per saldo dus minder grind voorkomen in Nederland. Ook wordt klei nu niet meer beschreven als zwak/matig/sterk/uiterst siltig. Klei kan nu nog enkel als zandig of grindig beschreven worden maar kunnen eigenschappen als consistentie of plasticiteit dan wel weer gebruikt worden om meer inzicht te krijgen in de geotechnische eigenschappen van de grond. Deze veranderingen en alle andere verschillen lichten wij graag toe tijdens een workshop identificatie van grond volgens de NEN-EN-ISO 14688. Stuur een mail naar lab@inpijn-blokpoel.com indien u hier interesse in heeft.

Q3: Wat voor een type boorbeschrijving moeten wij nu uitvragen: een B2 beschrijving of een B1 beschrijving en welke monsterkwaliteit hebben wij nodig?

A3: Wat u uitvraagt hangt af van het type project en welk grondonderzoek daaraan gekoppeld is. Betreft het grondonderzoek sonderingen met een enkele handboring bij de sondering dan zal een beschrijving met een B3 kwaliteit volstaan. Dit is een eenvoudige beschrijving wat zich concentreert op de hoofdgrondsoort: klei, silt, zand, grind of veen. Indien het grondonderzoek ook los van de sonderingen booronderzoek verlangt door middel van hand- en/of mechanische boringen dan is een beschrijfklasse B2 gewenst. Deze beschrijvingen zijn er op gerecht om een zo’n gedetailleerd mogelijk beeld te krijgen van de grondlagen. Daarbij moet opgemerkt worden het beschrijven van grond in het veld veelal geschiedt op basis van geroerd monstermateriaal waarbij het niet mogelijk is om een zeer gedetailleerde beschrijving te maken van de grondlagen. Wilt u nog meer detail aan de boorstaat toevoegen en beter inzicht krijgen in het geotechnische gedrag van de ondergrond dan zullen aanvullende (ongeroerde) grondmonsters genomen moeten worden.

Tot slot, u kunt ook kiezen voor beschrijvingen met een B1 kwaliteit. Deze kunt u uitvagen als u bovenop de eisen aan een B2 beschrijving nog meer detail zou willen toevoegen. U kunt hierbij denken aan het beschrijven van de geologische afzettingsmilieus. Welke aanvullende identificaties verwacht worden bij een B1 beschrijving dient u als opdrachtgever zelf te specificeren.

De beschrijfkwaliteit en andere aspecten war u aan moet denken bij het aanvragen van een offerte kunt u ook teruglezen in de ‘Handreiking eenduidig aanbesteden volgens NEN-EN-ISO 14688 welke u hier kunt downloaden.

Q4: Wanneer moeten wij een identificatie aanvragen en wanneer een classificatie?

A4: De NEN-EN-ISO 14688 bestaat uit twee delen: deel één de NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN8990:2020 en deel twee de NEN-EN-ISO 14688-2:2019+NEN8991:2020. Deel 1 beschrijft hoe een visuele identificatie van de grond moet worden uitgevoerd en deel 2 beschrijft een serie indextesten die men kan uitvragen om de grondlagen ook door middel van proeven te classificeren. De uitkomsten van de indextesten hebben veranderen niks aan de identificatie. De identificaties en de classificaties moeten dus als complementair beschouwd worden en het is daarom aan de opdrachtgever zelf om te bepalen of deze enkel kiest voor identificaties of voor identificaties en classificaties.

Q5: Wij moeten de boorbeschrijvingen ook aanleveren aan de basisregistratie BRO. Kunnen wij dan nog boorbeschrijvingen aanleveren volgens de NEN 5104?

A5: Hier kan een kort en bondig antwoord op gegeven worden: Nee.

Q6: Wij willen graag controleren of de beschrijving zal worden gemaakt door een gecertificeerde boormeester of laborant, waar kunnen wij dit inzien?

A6: Uiteraard kunt u bij ons vragen om een bewijs van certificering maar deze gegevens kunt u ook opvragen via de VOTB.

Heeft u een andere vraag of wil u meer weten over de NEN-EN-ISO 14688? Neem dan contact op met het gespecialiseerde team van het geotechnisch laboratorium: lab@inpijn-blokpoel.com.

2.1_Workshop