BEPALING ATTERBERGSE GRENZEN

Voor het bepalen van de consistentiegrenzen van fijne grond bieden wij u twee mogelijkheden: bepaling van de vloeigrens met behulp van de Casagrande methode of met de Fallcone methode, beide hieronder toegelicht. Naast dat één van deze twee methode uitgevoerd moeten worden voor het bepalen van de vloeigrens dient ook de uitrolgrens bepaald te worden, ook hieronder verder toegelicht.

Het bereik tussen de vloeigrens en de uitrolgrens wordt de plasticiteitsindex genoemd. Hoe verder de grenzen uit elkaar liggen, hoe groter de bewerkbaarheid van de geteste klei is. Daarnaast kan de plasticteitsindex en de vloeigrens tegen elkaar uitgezet worden op een grafiek om daarmee te bepalen wat de classificatie is van de fijne grond. Deze grafiek staat o.a. vermeld in de ISO 17892-12 en in de NEN-EN-ISO 14688-2:2019+NEN8991:2020. De vloeigrens, de uitrolgrens en daarmee de afgeleide plasticiteitsindex worden de Atterbergse grenzen genoemd.

1: Vloeigrensbepaling met het toestel van Casagrande,

Bij de bepaling van de vloeigrens volgens Casagrande wordt monstermateriaal van fijne grond met water gemengd. Vervolgens word het monster in het Casagrande schaaltje gedaan en wordt er met een groefmes een geul in het midden van het monster gemaakt. Vervolgens laat men machinaal het schaaltje op en neer tikken, waardoor de groef na verloop van tijd samenvloeit. Als de groef samengevloeid is, is het eindpunt van één meetpunt bereikt. In totaal worden er 4 meetpunten genomen met een oplopend watergehalte.

2: Vloeigrensbepaling met het Fallcone toestel.

Bij de bepaling van de vloeigrens met de Fallcone methode wordt monstermateriaal gemengd met water en in een cilindrisch bakje gedaan. Op het geëgaliseerde oppervlak van het monster laat men een conus in de fijne grond vallen. De beginhoogte van de conus wordt dusdanig afgesteld, dat het puntje van de conus het monsteroppervlakte net raakt, waarna het vrij in het monster valt. Met behulp van een verplaatsingsopnemer wordt de verplaatsing gemeten, die dan samenhangt met het aanwezige watergehalte in het monster. Ook hier worden 4 meetpunten met een oplopend watergehalte bepaald.

3: Bepaling van de uitrolgrens

Om de uitrolgrens te bepalen wordt de fijne grond uitgerold tot er slangetjes van 3 mm ontstaan. Zolang het lukt worden de slangetjes weer samen gekneed tot een bolletje klei en opnieuw uitgerold. Dit wordt herhaald totdat de klei niet meer uit te rollen is en het brokkelt of wanneer er al duidelijke scheurvorming aanwezig is bij de 3mm slangetjes.

3.6.1_Casagrande